Et voilà

Anne van Eik snoof en keek om zich heen en wist met plotselinge zekerheid dat ze bang moest zijn. Het was nacht en ze stond blootsvoets op een braakliggend terrein dat onregelmatig begroeid was met laag struikgewas en onkruid, veel onkruid. Rechts van haar de manshoge restanten van een muur overwoekerd door klimop. Links een golvende donkere wand waarin witte vlekken schemerden als grote trillende ogen. Een zoete geur waaide haar richting uit. Vlier. In het licht van de volle maan tekenden zich her en der op de zandgrond zwarte grillige voorwerpen af en priemden stijve uitsteeksels als vangarmen in de lucht. De maan geeft schaduw maar geen kleur, dacht ze.
   Dit veldje kwam haar vaag bekend voor, maar toch ook weer niet. Want onder het warme aroma van de bloeiende vlier dreef een andere, vreemde, koude geur die hier niet thuishoorde. De geur van rotte vis, van bederf en ontbinding. Er vloog iets langs haar hoofd, zó dicht dat ze de luchtverplaatsing tegen haar wang voelde. De klap van een inslaande paniek blokkeerde haar adem. Weg, ze wilde weg, ze moest weg. Een priemende pijnscheut in haar voetzool hield haar tegen. Ze keek en zag dat er iets glinsterde. Een vishaakje prikte door het vel tussen twee tenen en er welde een druppeltje bloed op langs het spitse puntje. Toen ze haar voet ophief zag ze een dun visdraadje bungelen aan haar voetzool.
   ‘Et voilà,’ hoorde ze iemand zeggen, eerst dof en daarna helder. ‘Et voilà.’
   Nu was het nylon visdraadje veranderd in een draadje katoen en haar voet was de hand van haar moeder geworden. Er zat een haaknaald in de muis van de hand geprikt. Het witkatoenen draadje bungelde ernaast. Haar moeder keek met pijnlijk verbaasde blik naar de duim die onwillekeurig bewoog als een kippepoot toen ze probeerde de uitgeschoten haaknaald terug te trekken. Ineens was dokter Weemoed er en schudde zijn hoofd en wreef in zijn handen. Hij herhaalde almaar dezelfde zin:

 

‘Die naald moet worden doorgeduwd, mevrouw, vooral niet trekken, doorduwen mevrouw, niet trekken, doorduwen...’
   Hij duwde en Anne zag op de bovenkant van haar moeders hand eerst een wit puntje verschijnen als een snelgroeiende pukkel. Dokter Weemoed prikte erin met een klein mesje en plotseling schoot de kop van de naald erdoor, langzaam gevolgd door de hele pen en het eindje draad dat nu rood gekleurd was. Dokter Weemoed hield triomfantelijk als een goochelaar de naald met het draadje omhoog. ‘Et voilà, et voilà,’ zei hij en verdween.

Opnieuw de geur van vlier en verrotting. Het vishaakje was verdwenen. Nu zag ze pas dat in het midden van het terrein een grote donkere vorm lag met een zwaar lijf en een kop met zwarte oogkassen. Het ding bewoog niet, lag doodstil als een gigantisch insekt in hinderlaag. Weer die angst. Ze moest waarschuwen, iemand waarschuwen. Een kinderrijmpje dwarrelde langs in voortdurende herhaling, gezongen door een vals kinderkoortje waarvan de stemmetjes steeds scheller klonken, steeds valser.

Gevangen, gevangen,
tussen twee ijzeren tangen
tussen de zon en de maan
herder laat je schaapjes gaan
gevangen, gevangen...

Plots waaierden de stemmetjes uiteen. Langzaam zwol vanuit de verte een zachte ruis aan die sterker en sterker werd en harder en harder en explodeerde in een geweldig dreunen van duizend boorhamers. Flitsend licht flakkerde in een razend tempo voorbij. En toch klonk nog boven dat alles uit een ijl hysterisch lachen dat vanuit het reusachtige insekt leek te komen. Anne gilde terwijl ze in de laatste lichtflits een woord zag. Een woord in een driehoek, met onduidelijke aangevreten letters. Lupus? Dit moet je onthouden, onthouden, dacht ze nog voordat ze overeind schoot en de dekens van zich afgooide.



Uit: Tangen