'Dostojevski!' riep de onderwijzer, wiens vader zaliger secretaris was geweest van de p.b.v., de Palverse Bond tegen het Vloeken. 'Stuk Gogol!'
   Hij moest bijremmen om niet op zijn voorganger in te rijden en keek verstoord op de kilometerteller. Nog geen zeventig en dat op de rijksweg! Een blik in de achteruitkijkspiegel vertelde hem dat er voorlopig geen hoop was op een inhaalmanoeuvre. Het langszoevende verkeer links van hem vormde zo te zien een wereldomvattende rupsbaan van glanzende bolides, terwijl er op de trieste rechterrijstrook geen ander leven te bespeuren was dan de rammelende Vauxhall Viva voor hem en zijn eigen Lada.
   Na een paar vergeefse pogingen om in te voegen, besloot de onderwijzer het voor gezien te houden. Hij mocht niet meedoen? Ook goed. Dan zou hij de eer aan zichzelf houden. Hij kon zich uitstekend bezighouden, daar had hij niemand bij nodig. Hij had toch nooit het gevoel dat hij echt soepel meedraaide in de wereldse ritmiek, verstoorde juist meestal het tempo, was zo iemand die na de roltrap bleef stilstaan, tot groot ongenoegen van de achteropkomenden.
   De onderwijzer deed dus een bewuste poging zich bij de situatie neer te leggen. Ten eerste was hij jarig vandaag en ten tweede zat er thuis niemand op hem te wachten. Laten we van de gelegenheid gebruik maken om het uitzicht te bewonderen, sprak hij tot zichzelf en een denkbeeldige achterban op de achterbank.
   'Aan onze linkerkant zien we...'
   Wat was er zoal te zien achter de rij zoefblik? Weilanden, een paar boomgroepen, hier en daar een boerderij, een elektriciteitshuisje. De schoorstenen van de een of andere fabriek in de verte. Welke fabriek? Hij kon zich niet herinneren daar ooit een fabriek te hebben gezien. Hij fronste zijn wenkbrauwen.
   Waar was hij eigenlijk?
   Ook aan zijn rechterkant was er niet veel te herkennen dat als aanknopingspunt kon dienen; naast de vluchtstrook daalde de berm een paar meter af naar een sloot die de rijksweg van een smal b-weggetje scheidde. Een bejaard koppel ploeterde er op een tandem tegen de wind in en de onderwijzer had het gevoel dat hij nauwelijks sneller vooruit kwam.

 

Ook hier was weiland te zien, maar met wat meer bos en struiken. Tussen de bomen schemerde hier en daar een huis.
   De onderwijzer constateerde dat hij niet wist waar hij zich bevond en dat was hoogst eigenaardig. Het moest een stuk niemandsland zijn dat hem nog nooit was opgevallen, hoewel hij nu al tien jaar dezelfde rit maakte tussen zijn huis in Palver en zijn school in Drosten. Elke dag heen en weer, vijf dagen in de week, veertig weken in het jaar. En steeds in de stilzwijgende overtuiging dat hij wist waar hij was. Maar eigenlijk, bedacht hij nu tot zijn verbazing, had hij al die tijd alleen maar geweten dat hij zich ergens tussen punt a en b bevond. Vraag: gegeven het feit dat x om half vier vertrekt om van a naar b te gaan en uitgaande van een gemiddelde snelheid van zeventig kilometer per uur, op welk punt bevindt x zich dan om kwart voor vier als hij vijftien kilometer moet afleggen?... Al tweeëneenhalve kilometer thuis. Dat klopte dus niet. Ofwel de gemiddelde snelheid moest aangepast worden, ofwel, en het zweet brak hem ineens uit, er zat iets goed fout. Hij, namelijk. Had zijn automatische piloot de afslag gemist?
   Zijn berusting in de situatie was verdwenen en toen hij zag dat er een bres was geslagen in de blikken muur aan zijn linkerkant haalde hij diep adem en dook erin, snelheid in de Lada duwend met heel zijn bovenlichaam. Meteen werd er achter hem driftig groot licht gegeven. De onderwijzer haalde zijn schouders op. Het roltrapeffect.
   Hetgeen hem er overigens niet van weerhield om tijdens het passeren naar de hoogbejaarde bestuurder van de Viva te kijken, die met zijn hoed op en een sigaar in zijn mond het stuur vastklampte alsof hij dacht dat de auto het zonder hem zou begeven. Je reinste blindganger. Alvorens weer naar rechts op te schuiven en vrij baan te maken voor een hysterische Mercedes, wierp hij met meewarig schuddend hoofd een demonstratieve blik over zijn schouder, die voor de mummie in de Viva bedoeld was. Maar door dat verdraaien van zijn hoofd en die nadrukkelijke, bestraffende blik naar achteren, zag hij vanuit zijn ooghoek iets dat hij anders niet gezien zou hebben.



Uit: Satan in de polder