1.

Het was stil in huis. In de keuken was het gezoem van een koelkast te horen, in de bijkeuken het gedruppel van een kraan en achter een slaapkamerdeur een zacht en regelmatig geronk, maar het waren het soort geluiden die stilte vormen, zoals alle kleuren tezamen het wit scheppen.
   In de hal weerklonk het getik van een grote staande klok. De maan scheen door het bovenlicht van de voordeur en ontrolde een witte loper tot aan de voet van de klok, die zich op dat moment juist voorbereidde om al die stilte met zijn bronzen stem nog eens extra te bekrachtigen. Er was eerst een inwendig gerommel te horen van zakkende gewichten, een ratelende ketting, een dof geklik. Daarna volgde zijn boodschap die in diepe bastonen door het hele huis werd gestuwd en elke plek bereikte. Paukenslagen in een verstild orkest.
   Overdag onderging ieder die hem hoorde een zeker gevoel van bezinning, even maar, tot de klank verstorven was. 's Nachts, in het duister van de hal, als de mensen op hun innerlijke geluiden waren afgestemd, sloeg hij voor zichzelf en voor de dingen in het huis. Of voor iemand die de slaap niet kon vatten.

2

Eén slag, meer niet. Dat betekende het halve uur, maar van wat?
Hannah Best deed haar ogen open en tuurde in de richting van het raam. Van donkere tijd. Het halve uur van de nacht. Of had ze slagen gemist? Het deed er ook niet toe.
   Ze probeerde meer consistentie in haar kussen te duwen en strekte zich uit, voelde meteen een pijnscheut onder haar linkerschouderblad. Niet aan pijn denken nu, denk aan iets anders. Maar haar gedachten waren koortsig en lieten zich slecht sturen.
   De slag van de klok zinderde nog na, ergens ter hoogte van haar kruin. Dat was een vertrouwder gevoel en ze probeerde het zo lang mogelijk vast te houden. Hoe lang kende ze dat trillende, bronzen geluid in haar schedel al? Het donkere meubelstuk

 

had zo lang als ze zich kon herinneren in de hal gestaan, van waaruit het zijn klanken als een trage tweede hartslag door haar aderen had gepompt. Levenslang. In elk geval vanaf haar geboorte. Het geluid moest deel uit hebben gemaakt van haar eerste waarnemingen, zoals de warmte van de moederborst, de zwak zoete smaak van melk, de zerpe geur van stront. En als ze Helen moest geloven, nog wel langer ook. Misschien wel vanaf haar conceptie.
   Helen, haar zeven maanden zwangere collega, was ervan overtuigd dat het kind in haar buik meeluisterde bij alles wat ze deed en ze was vanaf de derde maand van haar zwangerschap begonnen hem de hele muziekgeschiedenis voor te schotelen (dat het een hij was, wist ze al), want het was de bedoeling dat hij dirigent zou worden of eventueel violist. En dus liep ze de hele dag met een cassetterecorder op haar buik; had Monteverdi, Purcell en Bach al afgewerkt en zou na Haydn en Mozart voorzichtig aan Beethoven en Wagner beginnen, voorzichtig, want zelfs Helen vond dat ze het wicht niet ineens kon overvallen met de Walkuren.
   Hannah had altijd wat lacherig gedaan over Helens musicale en genetische dirigeerdrift, maar nu, met het geluid van de klok nog in haar oren, vroeg ze zich af of die voorprogrammering werkelijk zo'n belachelijk idee was, de ambitieuze aspiraties even buiten beschouwing gelaten. Het leek ineens wel plausibel. Plausibel.
   Ze liet het woord doorkabbelen en zou ermee in slaap zijn gegleden als er geen zacht geluid op de gang te horen was geweest. Geschuifel, stappen op de treden die naar haar opkamer leidden. Daarna stilte. Haar moeder waarschijnlijk, die kwam luisteren of alles in orde was. Hannah wachtte tot de deur zachtjes zou worden opengedaan, maar het bleef stil.
   `Ma?' vroeg ze. Haar schorre vraag loste op in het donker. Geen reactie. In elk geval geen hoorbare. In de verte snerpte een brommertje voorbij, een irritant zeurderig geluid als van een dreinend kind.






Uit: De groene gloed