1
Alles krimpt, denkt Jana Kardoen terwijl ze een lucifersdoosje vult met hagelslag uit een bijna leeg pakje. Zelfs de hagelslag. Er rollen een paar korrels van de tafel af en via haar geaderde voeten haar pantoffels in. Alleen die lijken steeds groter te worden.
   Ze is zoals elke ochtend om kwart voor zes opgestaan, heeft haar ochtendjas aangetrokken en er zichzelf weer eens op betrapt dat ze het koord achter haar rug wilde vastbinden als een schort. Meneer Cirkel zegt dat je twee keer zo lang bezig bent om een aangeleerde gewoonte kwijt te raken. En dat het voor oude mensen zoals zij toch niet meer haalbaar is. 'Het is moeilijk kromhouten rechten,' zegt hij. En dat zei haar vader ook altijd.
   Daarna heeft ze een soort hallo-beweging gemaakt naar het koperen bas-reliëf en de crucifix boven haar bed, een vage groet die ooit een kruisteken is geweest. Ook gekrompen. Meneer Cirkel noemt het de erosie van het bestaan, het schuren van het levenswater.
   Daar is wel iets van waar, denkt ze als ze door de nog stille gang van loopt. Haar hand volgt de koele reling langs de muur die hier en daar onderbroken wordt door de deuren van de kamers. Aan de andere kant biedt een glazen wand uitzicht op de parkeerplaats met de oude es in het midden, die in het voorjaar gezwollen knoppen op zijn takken draagt als een rij dikke groene parkietjes. Daarachter liggen de tuin en de weilanden. Groter is de wereld niet.
   De zon schuift voorzichtig over het spiegelende grijze linoleum van de vloer. Het is vroeg en het leven van deze dag is jong, voelt krachtig aan. De Tijd van de Dagen, zegt meneer Cirkel. Aan de horizon glijdt een zeil voorbij over het kanaal...
   
Haar hand ligt op de koele reling van de boot en de zachte trilling van de motor kietelt haar voeten. Ze houdt een oogje op twee meisjes met witte kousen, witte jurken en witte strikken in het haar, die heen en weer lopen en lichtvlekken vormen tussen de grijsbruine kledij van de andere passagiers en de bemanning.

 

Af en toe laat ze zien dat ze bij haar horen, die deftige stadskinderen die nu naar Oudestein varen, waar zij geboren is. Waar ook hun vader geboren is, al geeft hij dat niet graag meer toe. Ze doet de grote picknickmand nog maar eens open om te controleren of alles in orde is met de boterhammen die ze halverwege de reis zullen eten en telt de cadeaus na. Een wollen omslagdoek voor haar moeder, twee kanten kraagjes voor haar zussen, een pak pruimtabak voor haar vader, een pond koffie. Alles klopt.
   Ze laat haar vingers voorzichtig te water, voelt de druk op haar handpalm, de trilling in haar voeten en de zon op haar keel. Even is ze mevrouw Hama-de Michiou, die een schoonheidsbehandeling ondergaat terwijl ze in haar blauwe kimono op een chaise-longue ligt, met een meisje aan haar voeten en eentje aan haar handen en eentje om haar nek te masseren als er een migraine-aanval op komst is.
   'Jana! Kijk!' roept Noortje en wijst naar een andere boot.
   'Adriana,' verbetert Jana geduldig.
   Nu meneer en mevrouw Hama samen een week in Scheveningen zitten heeft ze alle tijd van de wereld. Ze is achttien jaar en zo jong als de eeuw.

2
Het tehuis bestaat uit verschillende afdelingen. In de lange vleugel van de laagbouw zijn de afzonderlijke appartementen en kamers te vinden van de redelijk zelfstandige bejaarden, een recreatie- en ontvangstruimte en een eetzaal, alles op de begane grond. Aan het einde van de gang komen twee klapdeuren uit op de hal van het bejaardentehuis 'Het Tolhuis'. 'Het Dolhuis', zegt meneer Cirkel. Heel vroeg op de dag ruikt het er altijd naar muizen.
   Tegenover de balie in de hal bevinden zich de liften van de hoogbouw. In de hoogbouw wonen de demente bejaarden, zij die al een beetje zijn weggegaan en niet meer helemaal willen terugkomen, of plots in een handeling zijn blijven steken alsof de klok twaalf heeft geslagen. Ze zitten verdeeld over vijf verdiepingen, hoe erger, hoe hoger. Op elke etage is er een apart ontvangstzaaltje voor het bezoek.



Uit: De engelenbak