1


Er ligt een oude hand op de rand van de badkuip. Ze ziet hem meteen als ze haar ogen opendoet. Een getaande klauw met vuile nagels. De vingers zijn krom, de gewrichten knokig. Blauwe aders kronkelen onder de huid. Een paar seconden, een minuut of langer, weet ze niet waar ze is of wie ze is. Ze durft nauwelijks te ademen, blijft bewegingloos liggen tot het gevoel voorbijgaat. Het gevoel van uitgesloten te zijn, van er niet bij te horen.


***

Langzaam wennen haar ogen aan de omgeving. De voorwerpen krijgen weer betekenis, hervatten hun functie. Haar angst is voorbij als ze merkt dat ze die hand op de rand van de kuip kan bewegen. Het is haar eigen hand. Ze moet erom lachen. Hoe kan ze nu zo schrikken van haar eigen hand! Ze laat hem een eindje heen en weer lopen als een grote, gevlekte spin. Dan betrekt haar gezicht. Haar hand is oud geworden. Heel oud. Wanneer is dat gebeurd?

Ze ligt een poosje stil te huilen omdat er iets verschrikkelijk mis is met de tijd, en ze niet begrijpt wat. Haar tranen glijden geluidloos in het afkoelende water.


***

Die ochtend is ze met de buurtbus naar de stad gereden, een rit van zeven kilometer. Ze is opgestapt bij de halte op het dorpsplein en helemaal voorin gaan zitten. Zo kan ze samen met de chauffeur commentaar leveren op wat er voorbijkomt: de doorzonwoningen en de bungalows aan de Kleiweg, de boerderijen, schuren en stallingen van de Langstraat, en ten slotte de flats en de winkels in de Bervoetstraat. Ze is uitgestapt op de Markt, bij de halte aan de voet van de toren van de Grote Kerk. Soms kijkt ze even naar boven, naar de donkere galmgaten en de balustrade eronder. Maar meestal niet. Het is moeilijk om naar boven te kijken.

 

Dit is de route die ze al heel haar leven neemt om naar de stad te gaan. Als kind met paard-en-wagen, op de bok naast haar vader. Als jong meisje op de fiets, naar school. Later lange tijd met de streekbus. Kleiweg, Langstraat, Bervoetstraat, Markt, en dezelfde weg weer terug naar Wielde, het dorp waar ze geboren is. Tot de provincie de busdienst had verkocht aan een particulier bedrijf dat winst moest maken. Dat had de lijn naar het dorp snel laten vallen alsof hij een besmettelijke ziekte had. Waarna er jarenlang geen enkele verbinding meer was geweest tussen dorp en stad. Als je geen auto had, zat je in de problemen.

'Privatisering,' zei Emery Ferket, 'is een duur woord om te zeggen dat we in de stront kunnen zakken.'

Maar tegenwoordig rijdt er sinds een tijdje een buurtbus, een initiatief van een aantal actieve dorpsbewoners. Een buurtbus is een kwart bus met een vrijwilliger erop. Vrijwilligers zijn de nieuwe gemeentevoorziening. De bus rijdt maar om het uur door het dorp, dus je moet de tijd wel in de gaten houden. En dat valt niet mee, zeker nu de uren en dagen in de war beginnen te raken.

De mensen in de buurtbus ruiken altijd naar alcohol. Ze mogen zoveel pepermuntjes kauwen als ze willen, maar de geur van alcohol komt er toch bovenuit.










Uit: Het badhuis