Proloog
   
De hellevaart omhoog. Na de zware klim en het bereiken van de top hoorde er een adembenemend vergezicht te zijn, een weids panorama over het dal. Maar er was geen uitzicht, geen horizon. Er was alleen dat gehate gezicht, onduidelijk, vertroebeld door woede. Er was alleen die mond, die sprak en woorden vormde die haar dromen vernietigden.
   De toekomst die ze voor ogen had gehad was ingestort, van haar visioen restten alleen nog brokstukken, wankele stenen van een ruïne aan de rand van een peilloze afgrond.
   De haat die ze voelde oversteeg alles wat ze gekend had. Hij rees ziedend in haar op, brandde achter haar ogen en vlamde door haar aderen op zoek naar ontlading. Ze moest lucht hebben, ruimte. Het duizelde haar. Ze zou stikken als ze er geen uitweg voor vond.
   En plotseling kantelde de wereld en was er alleen nog leegte en diepte. Ze was alleen zoals ze nog nooit alleen was geweest. Alleen met het woud. Een kort moment was het alsof ze met nieuwe ogen keek, alsof ze het voor het eerst zag. Het woud was niet groen of zwart, maar blauw. Een diep, ongrijpbaar blauw. Een fataal, zwijgend blauw. Niets bewoog.
   Niets, behalve die handen, die grepen en klauwden en houvast zochten. Verloren. Haar handen.
   Haar val deed drie kraaien krijsend uit de afgrond opstijgen. Toen volgde de klap die de laatste lucht uit haar longen perste.
   Ergens kabbelde een beekje.

 

1

Hij zat op een krukje voor het aquarium met zijn gezicht vlak voor de ruit. Aan de andere kant van het glas zweefde zijn hand in het water, bleker en groter dan normaal. Hij was aan het voeren.
   'Ben je haast klaar?' vroeg ze met haar hoofd om de deur. Ze hoorde dat het korzelig en zenuwachtig klonk.
   Hij bevond zich in het achterste gedeelte van de kelder, die op dit vroege uur nog in halfduister was gehuld, maar waar het licht over enkele minuten zou binnenglijden. Kelder was dan ook niet het juiste woord voor deze ruimte, maar gemakkelijker in gebruik dan het wat pretentieus klinkende souterrain.
   Het herenhuis waarin ze woonden dateerde uit het eind van de negentiende eeuw. Het pand had drie verdiepingen, een achterhuis, een zolder en een kelder, en was totaal uitgewoond toen ze erin trokken. Van de buren hadden ze begrepen dat er op zeker moment vijftien mensen tegelijk in hadden gewoond.
   Uit de aanwezigheid van nog wat sierlijsten op het plafond, een paar flarden oubollig behang en een achtergebleven potkachel bleek dat zelfs de kelder ooit bewoond moest zijn geweest. Een eeuw geleden waarschijnlijk door een dienstmeid of kokkin, en later, in tijden van mindere welvaart of andere prioriteiten, door een ondergeschoven ouder of grootouder.
   Een trapje leidde naar twee lage kamers en suite, die door matglazen tussendeuren van elkaar waren gescheiden. De kamer aan de straatzijde had een raam op stoephoogte, dat voorzien was van getorste smeedijzeren tralies en uitzicht bood op de benen van voorbijgangers, geparkeerde auto's, en soms, zoals vandaag, op een Frolicrode drolvariant van Walter, het hondje van de buren. De gehele ruimte was betegeld: de onderste helft met gebloemde Jugendstiltegels en de bovenste helft met een crèmekleurige variant voorzien van donkergroene ingelegde ruitjes op de hoekpunten. In het midden van de muur tegenover het trapje hing een kleine schoorsteenmantel.




Uit: Afgrond